Open VLD Brussels Parlement - Tel: 02/549.66.60 - Fax: 02/549.65.92 - info@vldbrussel.be

Enquête leefbaarheid en veiligheid
Gestuwd door de verhalen en ervaringen van Brusselaars over het leven in de hoofdstad, besloot Brussels gemeenteraadslid en volksvertegenwoordiger Els Ampe een schriftelijke vragenlijst te verspreiden onder 600 Nederlandstalige inwoners van de Stad Brussel om hen aan het woord te laten over het wonen, leven en werken in de stad. Klik hier voor de resultaten.

Brussels Beer Capital of the World
De vzw Brussels Beer Capital of the World lanceerde op een persconferentie de Brussels Beer Capital of the World, een initiatief om onze hoofdstad en ons land in de kijker te zetten als paradijselijke (vakantie)bestemming voor al diegenen die houden van Belgisch bier. Sven Gatz is voorzitter.

Wat is er van de sport?

5 februari 2007

Carla Dejonghe

Carla Dejonghe (VLD) wil versnipperd Brussels sportbeleid stroomlijnen. 

De institutionele waas van sommigen verhindert Brussel om een gestructureerd sportbeleid te voeren. Tot die conclusie komt Carla Dejonghe (VLD), Brussels volksvertegenwoordiger, naar aanleiding van een discussie over het Brussels (jeugd)voetbal in de commissie algemene zaken in het Brussels Parlement.

“De bedoeling van mijn interpellatie was om aan te geven welke rol (ploeg)sporten kunnen spelen in de integratie en dat dit vanuit het gewest een zekere ondersteuning verdient,” zegt Dejonghe. “Dat was echter buiten (SP.a)-Spirit en de PS gerekend, die meteen de institutionele kant van de zaak aanhaalden.”

Volgens Dejonghe leiden dergelijke formele, institutionele discussies ertoe dat het sportbeleid in Brussel hoogst versnipperd blijft. “Iedereen doet vanalles, maar er wordt daarbij vaak naast elkaar gewerkt.” Ze pleit voor creativiteit en goodwill in het Brusselse sportbeleid.

“Ik denk dat het komen tot concrete initiatieven een opdracht en testcase kan zijn van het samenwerkingsakkoord dat getekend is tussen de Raad van de VGC en de raad van de COCOF (nvda tussen de respectieve voorzitters Jean-Luc Vanraes en Christos Doulkeridis). Een mooi initiatief zou bijvoorbeeld de organisatie van een Brussels straatvoetbalkampioenschap kunnen zijn. De sportdiensten van de VGC en de COCOF zouden dit samen kunnen organiseren.”

VLD-minister van begroting Guy Vanhengel beklemtoont dat hij elk initiatief dat de sport in Brussel wil ondersteunen, toejuicht. Op het institutionele vlak wees hij erop dat de GGC (de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie) hierin een coördinerende rol op zich zou kunnen nemen. Zijn inspanningen voor het jeugdvoetbal vanuit zijn bevoegdheid ‘internationale uitstraling van Brussel’ konden op milde kritiek vanwege SP.a-spirit rekenen, waarop Vanhengel fijntjes opmerkte dat het Open Stadion-project van de federale regering, waarbij voetbalclubs een maatschappelijke rol vervullen, geïnitieerd werd door de staatssecretaris voor sociale economie, Els Van Weert, een spiritiste…

Voor meer info:
Carla Dejonghe
0496/42.00.60
Of Kurt Deswert
0497/85.25.91

Interpellatie van mevrouw Carla Dejonghe tot de heren Charles Picqué, minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, en Guy Vanhengel, minister van de Brusselse Hoofdstedelijk Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen, betreffende "de jeugdinvesteringen van Brusselse voetbalclubs". 

Mevrouw Carla Dejonghe.- Uit een onderzoek van de ULB dat door staatssecretaris Kir werd besteld, blijkt dat er bijzonder grote verschillen bestaan tussen de investeringen van Brusselse voetbalclubs in de jeugdopleidingen. De investeringen variëren van 12 euro (RUSA Schaarbeek) tot 542 euro per jaar (Union Sint-Gillis) en per spelertje. Ook wat betreft het jaarlijkse inschrijvingsgeld waren er grote verschillen. Trabzon Schaarbeek liet de jeugdspelers 50 euro betalen, White Star Woluwe vroeg 375 euro voor een jaar. Het eigenaardige is echter dat het geïncasseerde geld de jeugdopleiding niet steeds ten goede komt. De meeste clubs gaven toe dat het lidgeld naar het eerste elftal wordt versluisd.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft het afgelopen jaar enkele initiatieven genomen op het vlak van jeugdopleiding, waaronder investeringen in sportinfrastructuur voor de jeugd. Verschillende ploegen hebben er gebruik van gemaakt. De fondsen voor de jeugdopleidingscentra moeten niet enkel onze voetballers internationaal competitiever maken, ze bewijzen ook dat Brussel werk wil maken van een sportbeleid. Gezien het sportieve potentieel dat er in dit hoofdstedelijk gewest bestaat, met de jongste gemiddelde leeftijd van alle gewesten, is dat niet meer dan logisch. Investeren in sport heeft veel directe en indirecte voordelen, al zijn ze misschien niet altijd onmiddellijk duidelijk en zijn het vaak investeringen die pas beginnen te renderen op middellange termijn. 

Ik denk niet dat ik u daarvan moet overtuigen. Sport heeft een positieve invloed op de schoolresultaten, zorgt ervoor dat kinderen openbloeien, rustiger zijn, minder vaak ziek worden, socialer en attenter zijn.

De heer Guy Vanhengel, minister.- Parlementsleden zouden er dus ook baat bij hebben om aan sport te doen.

Mevrouw Carla Dejonghe.- Dat klopt. In een grootstedelijke context zoals de Brusselse heeft sport een belangrijke maatschappelijke rol. Sport ondersteunt de integratie en bevordert het sociaal weefsel. Het heeft ook geen enkel belang welke taal je spreekt: iedereen trapt op dezelfde bal. Het doet er evenmin toe hoeveel geld je ouders verdienen.

In dat opzicht is het interessant om onze sportclubs warm te maken om mee te werken aan integratie. Het was ontgoochelend dat er geen enkele Brusselse voetbalclub geselecteerd was voor de Open Stadion-projecten van de federale regering. Het betreft projecten waarbij de uitstraling van een sport wordt gebruikt om de maatschappelijke integratie te bevorderen.

In Engeland bijvoorbeeld krijgen kinderen les binnen het stadion. De meeste Brusselse voetbalclubs bevinden zich in probleemwijken. Dat is historisch zo gegroeid. Ze maken deel uit van de gemeenschap, waar ze zowel qua locatie als qua beleving volledig mee

verbonden zijn. Ze oefenen een grote aantrekkingskracht uit op jongeren, van wie sommigen enkel via de sport te bereiken zijn.

De hefbomen die het gewest met haar bevoegdheden heeft om initiatieven te ontwikkelen op dit vlak, zijn bijzonder beperkt. Nochtans heeft sport een brugfunctie tussen de gemeenschappen in deze stad. Hierin schuilt heel wat beleidspotentieel, dat tot op heden onbenut blijft. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is misschien de geschikte instantie om hiervan gebruik te maken.

Ik wil de minister aan zijn woord houden. Volgens het verslag van het colloquium "Welke gemeenschap(pen) voor de Brusselaars ?" van 2004, georganiseerd door de vzw Manifesto, was u, mijnheer de minister, terecht een beetje terughoudend om blindweg het bevoegdheidsdomein van de GGC uit te breiden. U verzette zich daar niet principieel tegen, maar uit ervaring, vooral op het vlak van gezondheidszorg, bleek dat wat tweetalig moet zijn, het in de praktijk zelden is. U maakte echter een duidelijke uitzondering. Op één domein zag u dadelijk een grotere rol voor het bicommunautaire beleid mogelijk, namelijk de sport: "In alle sportclubs van de hoofdstad vind je spontaan een mengeling van alles wat er in de stad leeft. We moeten verder gaan in de richting die de Brusselse regering heeft ingezet en middelen vrijmaken om via de gemeenten meer in deze sector te investeren. De gemeenten hebben immers een bicommunautair statuut."

De regering is ondertussen zelf al een stap verder gegaan, vanuit haar eigen bevoegdheden, en uw collega de heer Picqué verklaarde op hetzelfde colloquium: "La COCOM est une institution-clé de l'avenir de Bruxelles. Il faudra imaginer pour elle un rôle beaucoup plus dynamique qu'il n'a été jusqu'ici."

1) Het gewest heeft een bescheiden, maar duidelijke stap gezet in de richting van ondersteuning van een aantal jeugdopleidingscentra. Is dit de voorbode van een bredere gecoördineerde visie op een sportbeleid? Binnen de eigen bevoegdheden kan dit bijvoorbeeld door initiatieven op het vlak van infrastructuur. U kunt ook een eigen Open Stadion-project uittekenen op Brussels niveau, dat infrastructurele steun aan clubs koppelt aan lokale inbedding van die clubs. Is dit een losstaand initiatief of is er een samenwerking voorzien tussen de VGC en de COCOF? Is het denkbaar om samen een Brussels straatvoetbalkampioenschap op poten te zetten? Dat kan ook voor andere populaire sporten.

2) Is het sportbeleid geen uitgelezen kans om vanuit de GGC een beleid te ontwikkelen dat aansluit bij de Brusselse leefwereld en dat kan aantonen dat vertrouwen in de andere gemeenschap mogelijk is?

3) In een artikel van Voetbalmagazine sprak u over de aanleg van straatvoetbalpleintjes. Heeft u daar concrete plannen voor?

De voorzitter.- Mevrouw Quix heeft het woord.

Mevrouw Marie-Paule Quix.- Het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat ik een enigszins ander standpunt inneem dan mevrouw Dejonghe. Ik ben het met haar eens dat sport belangrijk is voor kinderen en jongeren in het algemeen, en voor jongeren uit kansarme wijken in het bijzonder. Ik ben het daarentegen niet met haar eens dat het gewest een onbenut beleidspotentieel voor sport zou hebben.

U kent de staatsstructuur van dit land. Sport is en blijft voorlopig een bevoegdheid van de gemeenschappen. Inzake sportinfrastructuur is de zaak iets minder eenduidig. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voert via de gemeenten een beleid inzake sportinfrastructuur. Minister Smet en staatssecretaris Kir zijn belast met de oprichting van een werkgroep die dat gewestelijk sportinfrastructuurbeleid moet coördineren. Enkel de middelen voor buurtsportinfrastructuur zijn bij ordonnantie gereglementeerd. Voor alle andere infrastructuur worden de dossiers geval per geval besproken. Voor deze legislatuur is er een bedrag van 32 miljoen euro opgetekend. Is hiervoor al een meerjarenplanning opgemaakt?

Ik ben voorts verbijsterd over de suggestie om sportinitiatieven vanuit de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te nemen. Mevrouw Dejonghe citeert u om te wijzen op mogelijke beperkingen van dit denkspoor, maar dat weerhoudt haar er niet van om toch voor een sportbeleid vanuit de GGC te pleiten. Mijn fractie is daar geen voorstander van. De gezondheidszorg leert ons dat we als Nederlandstaligen vaak in de kou blijven staan. Dat zal niet anders zijn bij een sportbeleid vanuit de GGC.

Is het bovendien verstandig om nog meer geld vanuit het gewest naar de GGC door te sluizen, terwijl het gewest zelf zo'n grote noden heeft? Wat met de gemeenschappen en de gemeenschapscommissies? Vlaanderen zou van plan zijn om ongeveer 11 miljoen euro te investeren in sportinfrastructuur in Brussel. In het regeerakkoord werd ook aangekondigd dat de gemeenschapscommissies zouden samenwerken op het vlak van sportbeleid en in het bijzonder van sportinfrastructuur. Hoe ver staat het met die samenwerking?

De regering zal jaarlijks 3,5 miljoen euro uittrekken voor de uitbouw van sportopleidingen. Tijdens de begrotingsbespreking had de heer Picqué een opdeling gegeven in vier categorieën, gaande van nationale voetbalploegen met internationale uitstraling zoals RSC Anderlecht tot amateurclubs. De exacte cijfers waren evenwel niet in het begrotingsverslag terug te vinden. Is het mogelijk ons die verdeling nogmaals te bezorgen, met vermelding van de ploegen en de middelen die zij ontvangen?

De heer Vandenbossche had het vorige week al over die fameuze overeenkomst tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de gemeente Anderlecht en RSC Anderlecht. Tussen 2006 en 2009 ontvangt RSC Anderlecht van het gewest 5 miljoen euro. Waaraan zal dit geld worden besteed? Men wil twee complexen optrekken, één voor zes- tot veertienjarigen en een tweede voor vijftienjarigen en ouder, de jeugd U15 tot het fanion team. In het totaal gaat het om een investering van ongeveer 12,5 miljoen euro. Vreemd genoeg staat in de overeenkomst dat het bedrag van 5 miljoen euro gaat naar de promotie van het imago van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in België en in het buitenland. Zo moet het IRIS-logo verschijnen op de mascotte van de jeugdploeg, op mobiele reclameborden, op de vlaggen, op de website, in het clubblad, enzovoort. Ook op de festiviteiten naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van de club moet het logo van het gewest zichtbaar aanwezig zijn.

Een bedrag van 5 miljoen euro voor de promotie van het imago van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest lijkt me echter overdreven hoog, ook al zou die promotie over vier jaar worden gespreid. Gaat een deel van het bedrag naar voornoemde sportinfrastructuur? Persoonlijk zou ik dat een goede zaak vinden, op voorwaarde dat die infrastructuur ook ter beschikking staat van jongeren uit kansarme buurten. Ik vrees echter dat RSC Anderlecht dit niet als een prioriteit beschouwt.

Het is niet zo dat ik niet van RSC Anderlecht houd. Er gaan echter grote geldstromen naar deze club via abonnementen, sponsoring, televisierechten, de Champions League, enzovoort. Het gaat dus zeker niet om een arme club. Het verwondert me dan ook dat het gewest 5 miljoen euro voor deze club over heeft, terwijl de arme amateurclubs uit de vierde categorie het moeten doen met een bedrag van 360.000 euro.

M. le président.- La parole est à Mme Mouzon.

Mme Anne-Sylvie Mouzon.- Afin de ne pas compliquer les choses, je voudrais rappeler la répartition des compétences. La matière relative aux infrastructures sportives communales est régionale, parce que rangée au titre des travaux subsidiés par la Région pour les communes. Cela a été clairement dit au moment des travaux préparatoires de la loi.

Toute autre approche aurait conduit à devoir dédoubler toutes les infrastructures sportives communales, ce qui eût été stupide et extrêmement dispendieux. Cependant, en dehors des infrastructures sportives subsidiées par la Région au niveau des communes, le sport est une matière communautaire et culturelle.

Or, je rappelle que le bicommunautaire ne gère que le personnalisable - la santé, les affaires sociales - mais pas le sport en tant que matière culturelle. Celui-ci constitue une matière monocommunautaire qui, à Bruxelles, relève de la Communauté flamande et de la Communauté, française, ou, plus exactement de la COCOF, suite aux accords tripartites entre Communauté française, Région wallonne et COCOF.

Certes, la COCOF, en tant que successeur de l'ancienne "commission Poupko" (Commission française de la culture de l'agglomération de Bruxelles), et la VGC en tant que successeur de l'ancienne Nederlandse Cultuurcomissie (NCC) - qui n'ont que des compétences réglementaires sous, tutelle de leurs Communautés respectives – peuvent décider de coopérer si elles le souhaitent. Mais elles continuent à gérer des matières monocommunautaires et ne doivent se réunir que si elles trouvent un intérêt à coopérer.

Dès lors, pourquoi la COCOM devrait-elle intervenir en matière de sport ? Cela n'a pas beaucoup de sens, en tout cas pas pour organiser en commun le sport en Région bruxelloise. Ne confondons pas les infrastructures visées par les travaux communaux subsidiés par la Région avec la politique sportive, qui reste fondamentalement monocommunautaire. Cela n'exclut pas que le niveau régional puisse envisager de, subventionner autre chose que les infrastructures, compte tenu des compétences et de l'image de Bruxelles. Mais cette hypothèse reste relativement marginale.

De voorzitter.- Mevrouw Byttebier heeft het woord.

Mevrouw Adelheid Byttebier.- De interpellatie van mevrouw Dejonghe is erg interessant. Wat mij het meeste boeit, is welk politiek niveau eigenlijk verantwoordelijk is voor het beleid. Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen sportinfrastructuur en sportbeoefening. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest trekt steeds meer geld uit voor gemeenschapsmateries als sport en cultuur, zonder dat daarvoor een gewestelijke administratie bestaat. Ik denk met name aan afdeling 22, die onder het beleid van minister-president Picqué valt.

Er wordt steeds meer geïnvesteerd in de uitstraling van Brussel, die uiteraard ook raakvlakken heeft met sport en cultuur. Een mogelijke benadering is die van mevrouw Quix, die ervoor pleit dat enkel de gemeenschappen zich met sport bezighouden. Een andere benadering is die van mevrouw Dejonghe, die eerder pleit voor een gezamenlijk sportbeleid dat bijvoorbeeld door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zou worden georganiseerd.

Er bestaat een onderzoek van de ULB waarin duidelijk wordt verwezen naar artikel 166 van de Belgische grondwet. Deze studie besluit dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie niet verplicht is om zich te beperken tot gezondheid en welzijn. Ze mag zich ook bezighouden met cultuur en onderwijs.

Mijnheer Vanhengel, u hebt tijdens een eerder debat gezegd dat het volgens u niet mogelijk is dat de GGC zich met meer beleidsdomeinen bezighoudt zonder dat er een grondwetswijziging komt. Ik vind dat er duidelijkheid moet komen over deze kwestie.

M. le président.- La parole est à M. Mampaka Mankamba.

M. Bertin Mampaka Mankamba.- Je me réjouis de l'initiative du gouvernement. Elle est salutaire pour nombre de clubs de notre Région, même si d'autres instances sont également en charge de la politique sportive et du financement des infrastructures. Cette mesure vient à point nommé et les milliers de Bruxellois affiliés à ces clubs s'en féliciteront.

Je voudrais faire remarquer que si Anderlecht reçoit beaucoup d'argent des sponsors, son budget n'est toujours que le 152ième parmi les clubs européens. Toutes les équipes de deuxième division en France, en Italie ou en Angleterre bénéficient d'un budget plus important. C'est vraiment pathétique, pour le premier club de la capitale européenne ! Nous avons le devoir de regarder ce qui se passe autour de nous et d'essayer de mériter notre titre de capitale de l'Europe. Ceci dit, la manière dont la répartition a été organisée me dérange quelque peu. Certes, la contrainte de l'utilisation des fonds me semble avoir été répartie aussi objectivement que possible, en fonction de la mission de chaque club. La division en quatre catégories me semble avoir été opérée avec professionnalisme et précision. Cependant, concernant la partie de la subvention affectée au fonctionnement et à l'infrastructure, il aurait été préférable de laisser un peu plus de marge aux clubs, compte tenu de leurs spécificités respectives. Nous savons bien que, dans les catégories de jeunes, c'est l'encadrement essentiellement qui pose problème. Je le signale, même si je n'ignore pas que cet aspect de la question relève de différentes institutions. Si une évaluation est prévue, il faudrait donc tenir compte de la situation bien précise de certains clubs, dont les besoins portent davantage sur l'encadrement que sur l'équipement et l'infrastructure collective.

De voorzitter.- De heer Vanhengel heeft het woord.

De heer Guy Vanhengel, minister.- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering wil de sportbeoefening in ons gewest een centrale plaats geven in haar beleid. Het regeerakkoord getuigt immers van de wil om een voluntaristisch beleid te voeren met als doel het imago van Brussel meer dynamiek te geven. Een samenhangend en ambitieus beleid vanuit gewestelijke bevoegdheden ten voordele van de sportbeoefening maakt immers deel uit van het algemene imago van het gewest.

Niemand kan ontkennen dat sport, en in het bijzonder competitiesport op hoog niveau, bijdraagt tot de ontwikkeling van een nationale of regionale identiteit. Bovendien bevestigt recent studiemateriaal ook de economische relevantie van sport (rechtstreekse en onrechtstreekse werkgelegenheid, infrastructuur, ...).

Sport is dus niet alleen belangrijk voor de lichamelijke gezondheid van elke Brusselaar, investeren in sport is zonder twijfel investeren in de leefbaarheid van de samenleving. Sport kan inderdaad een belangrijke rol spelen bij de integratie van alle groepen in onze samenleving, want geen enkele sector van het maatschappelijk gebeuren telt zoveel deelnemers, activiteiten en structuren als de sportsector.

Een moderne en aangepaste infrastructuur is de eerste vereiste om jong en oud aan het sporten te krijgen. Sedert geruime tijd investeert de Brusselse regering daarom in belangrijke mate in de uitbouw en modernisering van kleine en grote gemeentelijke sportinfrastructuren. Dat doen wij al vele jaren en de budgetten die wij daaraan besteden, zijn de jongste jaren flink opgetrokken.

We willen grote en kleine sportclubs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest helpen bij de uitbouw van hun infrastructuur voor sportopleidingen voor jongeren. Het is uiterst belangrijk om in ons gewest infrastructuren van topniveau beschikbaar te stellen voor alle jongeren die dromen van een sportloopbaan of van een sportbeoefening die naam waardig. Eind vorig jaar hebben wij dan ook besloten om hiervoor middelen vrij te maken. Aanvankelijk richtten wij ons in de eerste plaats op de ploegsporten, waarvan de voornaamste uiteraard voetbal en basketbal zijn. Vrij snel werden de middelen ook uitgebreid naar minivoetbal, hockey en rugby, en naar andere sporten waar veel jongeren in het gewest aan deelnemen: tennis, karate, judo, boks, rollerskating, gymnastiek, enzovoort.

Dit initiatief van de Brusselse regering is zeker geen losstaand feit. Van bij het begin werden de collegeleden van de Franse en de Vlaamse Gemeenschapscommissie die bevoegd zijn voor sport bij de zaak betrokken. De toelagen worden bepaald op basis van een overeenkomst tussen drie partijen:het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de sportclub en de gemeente. Bijgevolg hebben ook de gemeenten inspraak.

Het beleid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dan ook complementair met dat van de gemeenschapscommissies, de gemeenten en de gemeenschappen. Het Open Stadion-project is een initiatief van de federale staatssecretaris voor sociale economie en duurzame ontwikkeling, Els Van Weert, die net zoals mevrouw Quix een politica van Spirit is. Ik hoop dan ook dat mevrouw Quix haar even kritisch zal beoordelen.

Mevrouw Marie-Paule Quix.- Ik heb gezegd dat sport geen gewestelijke bevoegdheid is. Voor sportinfrastructuur zijn echter alle beleidsniveaus bevoegd.

De heer Guy Vanhengel, minister.- Wat is het probleem dan? De bedoeling van het project is om voetbalclubs ertoe aan te sporen om ook een maatschappelijke rol te spelen.

Naar het voorbeeld van buitenlandse clubs, zoals Manchester United, willen de organisatoren van het Open Stadion-project Belgische clubs inschakelen voor maatschappelijke projecten. Het initiatief van de Brusselse regering inzake sportopleidingen voor jongeren heeft dezelfde doelstelling als het federale Open Stadion-project, waar geen enkele Brusselse club aan heeft kunnen participeren. De bedoeling is namelijk om sport als maatschappelijke hefboom te gebruiken. In samenwerking met de Belgische voetbalbond en de Profliga werden de clubs uit eerste en tweede klasse aangespoord om projectvoorstellen in te dienen bij de federale overheid. Zestien clubs, waaronder RSC Anderlecht, gingen op de vraag in en vroegen samen steun voor ongeveer 26 projecten. Het project van Anderlecht werd niet in overweging genomen.

Voor het initiatief van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd een stuurgroep opgericht die is samengesteld uit leden van de kabinetten van minister-president Picqué en mezelf en leden van de Franse en Vlaamse Gemeenschapscommissie. De rol van deze stuurgroep bestaat er enkel in na te gaan of ingediende projectaanvragen kunnen worden ondersteund. Het is niet de bedoeling om eigen initiatieven te ontwikkelen, want daarmee zouden we in het vaarwater van de gemeenschapscommissies komen. Hetzelfde geldt voor straatvoetbaltoernooien en andere initiatieven waar mevrouw Dejonghe naar verwees: ze kunnen enkel worden georganiseerd op initiatief van clubs en bevoegde instanties.

(De heer Eric Tomas, voorzitter, treedt als voorzitter op)

Ik zou nog even dieper willen ingaan op een discussie die in dit verband wordt aangebracht door mevrouw Quix. Schematisch voorgesteld hebben we vanuit het gewest nu de volgende niveaus die in dit beleid aan bod komen. Vooreerst zijn er de gemeenschappen. De Franse Gemeenschap heeft destijds een aantal initiatieven inzake infrastructuur in het gewest ontwikkeld. De Vlaamse Gemeenschap heeft enkele

jaren geleden een aantal beperkte initiatieven genomen, zoals de bouw van een sporthal op de terreinen van het Koninklijk Atheneum Emanuel Hiel in Schaarbeek, waarbij een samenwerking tot stand is gekomen tussen de bevoegdheidsdomeinen onderwijs en sport. De bedoeling is dat deze infrastructuur overdag door de school kan worden gebruikt en 's avonds door de bij de VGC aangesloten verenigingen.

Er is ook Beliris, het samenwerkingsverband met de federale overheid, waar we proberen middelen vrij te maken om infrastructuren te verbeteren. Een voorbeeld daarvan zijn de plannen voor het vroegere stadion van Crossing Schaarbeek.

Daarnaast zijn er de gemeentelijke sportinfrastructuren. Dat zijn veelal kleine buurtsportinfrastructuren, maar er zijn ook andere die we middels toelagen aan de gemeenten vanuit het gewest mee subsidiëren. Tot slot zijn er de toelagen die specifiek bestemd zijn voor de jeugdopleidingen en die passen in het beleid ter bevordering van de uitstraling en het imago van Brussel.

Ongeacht de herkomst van de middelen is het van het grootste belang dat alle overheidsdiensten die hun steentje kunnen bijdragen, zich inspannen om de sportbeoefening verder aan te moedigen, zeker in een stad als Brussel waar sociale samenhang zo belangrijk is. Die moeten we proberen te realiseren tussen de vele gemeenschappen die hier leven. Sport is daartoe een ideaal instrument.

In deze materie heeft de GGC een annexe bevoegdheid. Sport en gezondheid gaan vaak samen. De GGC is verantwoordelijk voor de omkadering van het gezondheidsbeleid en dus ook mede bevoegd voor onder meer de controle op het dopinggebruik.

Over de kwestie die mevrouw Byttebier aanhaalt, heb ik vroeger al mijn standpunt bekendgemaakt. Conform artikel 166, § 3 van de Grondwet kan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie coördinerend optreden inzake gemeenschappelijke beleidsdomeinen. Om eigen initiatieven te ontwikkelen, zou de GGC een specifieke opdracht moeten krijgen en de Grondwet in die zin moeten worden aangepast.

(poursuivant en français)

M. Mampaka a fait allusion au subventionnement du sport dans d'autres pays européens. Je le comprends. Il ne faut toutefois pas forcément aller aussi loin ou même franchir nos frontières nationales : en Flandre et en Wallonie également, les autorités régionales ont subventionné des infrastructures sportives de haut de gamme grâce à différents montages financiers.

Ainsi, le club de Genk a construit une infrastructure et des équipements annexes destinés à l'éducation des jeunes footballeurs de Genk et des environs avec des fonds provenant des cellules de reconversion des mines du Limbourg. Une partie des moyens financiers de cette politique économique a été utilisée à des fins sportives.

Ik denk met name ook aan het Jan Breydelstadion, dat naar aanleiding van Euro 2000 mede met federale middelen gefinancierd is. (verder in het Frans)

Je pense également aux initiatives prises par mon collègue wallon, M. Daerden. Elles consistent à soutenir financièrement plusieurs types de clubs. Elles concernent tantôt la construction de stades, tantôt l'infrastructure nécessaire au développement de la formation des jeunes.

(verder in het Nederlands)

Mevrouw Quix vraagt wat de precieze bedragen zijn en of er een reglementerend kader is. Voor buurtsport is dat zeer eenvoudig. Het gewest kent de gemeenten toelagen toe. Dankzij die toelagen is de voorbije jaren in tal van gemeenten infrastructuur gecreëerd van het type 'agoraspace'. Wij hebben dus veel jongeren die op straat spelen de kans gegeven om voetbal of basket te spelen op speciaal daarvoor ingerichte terreinen.

Nu wij die wijk- of straatgebonden infrastructuur hebben ontwikkeld, moeten wij echter nog een stap verder gaan, zodat de belangstelling die op die manier voor sport wordt opgewekt, verder kan worden in banen geleid. Wat voetbal betreft, hebben wij in het gewest twee grote clubs die ver boven de anderen uitsteken, namelijk FC Brussels, die een heel brede jeugdwerking heeft, en RSC Anderlecht, die een uitstekende opleiding biedt aan jongeren met een bovengemiddeld talent.

Die jongeren komen vaak uit Brussel zelf en enkelen zijn er zelfs in geslaagd om tot de internationale top door te stoten, zoals Vincent Kompany en Anthony Vanden Borre. Naast die bekende voorbeelden zijn er evenwel nog tientallen andere spelers die uit Brusselse wijken komen en die actief zijn op het terrein. De middelen die wij ter beschikking stellen van RSC Anderlecht zijn bedoeld om de site in Neerpede, die er armtierig bijligt, om te bouwen tot een modern en comfortabel jeudopleidingscentrum, zodat Anderlecht niet moet achterblijven bij de andere clubs van dit niveau in België en de rest van Europa.

De subsidies gaan via de gemeente naar RSC Anderlecht. De club, die inderdaad niet onbemiddeld is, levert echter ook een belangrijke financiële bijdrage. Meer dan de helft van de investeringen zijn voor rekening van de club zelf. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest neemt ook een deel voor zijn rekening en de rest wordt opgehoest door de gemeente Anderlecht, die eigenaar is van het grootste deel van de terreinen en een inspanning levert door ze voor een lange termijn ter beschikking te stellen van de club. Bijgevolg worden de overeenkomsten telkens afgesloten tussen drie partijen. We willen namelijk dat alle betrokkenen tot overeenstemming komen en goed samenwerken.

Het regelgevend kader is opgesplitst voor vier categorieën van clubs, die allemaal een bepaald bedrag krijgen. De eerste categorie behelst voornamelijk RSC Anderlecht. In de tweede categorie zitten FC Brussels, Royale Union Saint-Gilloise en basketbalclub Royal Atomia Brussels en in de derde categorie White Star Woluwe. In de vierde categorie zitten een aantal kleinere clubs die hun infrastructuur verder willen ontwikkelen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest levert ook een kleine bijdrage aan de clubs uit de laatste categorie voor de omkadering van het gebruik van de infrastructuur.

Over die laatste kwestie bestaat nog veel discussie. Als we op de vragen van de clubs willen ingaan, zouden we veel verder moeten gaan. We zijn echter voorzichtig om problemen, zoals die waar mevrouw Quix naar verwees, te vermijden.

De voorzitter.- Mevrouw Dejonghe heeft het woord voor een repliek.

Mevrouw Carla Dejonghe.- Ik dank de minister voor zijn antwoord.

- Het incident is gesloten.

 

Vrijdag 15 Oktober 2010 - 00u00

-

Visetentje Open Vld Jette, GC Essegem

Zaterdag 20 November 2010 - 00u00

-

Eetfeest Open Vld Ganshoren en René Coppens, in De Zeyp

Zondag 21 November 2010 - 00u00

-

Eetfeest Open Vld Ganshoren en René Coppens, in De Zeyp